HOME ARCHITECTUUR ONDERZOEK ONDERWIJS LINKS CONTACT SITEMAP HUMANARC?
 
Untitled Document
JOHAN
VERLEYE
HUMAN
SCIENCES
ARCHITECTURE
& DESIGN
ANNETTE
KUHK
 
VIRTUAL OFFICE

Brussel: Oriëntatie in vijf decennia planning

zie KUHK A., DEGADT J., LAGROU E. (2005), Brussel volwassen? Groei van de overlegdemocratie voor integraal stedenbouwbeleid , Eindverslag van het onderzoek naar participatie aan beleidsprocessen bij stedenbouwbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brussel: departement architectuur Sint-Lucas

In bijna zes decennia planning zijn de doelstellingen en de visie inzake mogelijkheden (en ‘plichten’) van planning sterk gewijzigd, dit zowel in België alsook in Brussel, en in de entiteit die we vandaag als ‘Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ kennen. Behalve de inhoud van planning en stedenbouw, en het al dan niet werken vanuit sterke visies en concepten, is gaandeweg ook de rol van de overheid en de relatie tot andere actoren in de stedelijke arena gewijzigd. Onderstaand overzicht geeft een aantal centrale elementen van de plandoelen (1) alsook de relatie tussen de verschillende, bij beleids-beslissingen betrokken partijen (2) weer. Uit de korte samenvatting van een halve eeuw planning komt een veranderende conceptualisering van de ‘buurt’(3) of ‘wijk’ naar voor. Dit belangrijk onderdeel van stedelijke ontwikkeling kan als ‘identificatiebasis van de westerse maatschappij’, als ‘planentiteit bij ontwerp’, en als ‘actiebasis voor democratische besluitvorming’ gezien worden, maar is ‘niet vrij van ideologische belasting’. (Lagrou, 2000, p. 111-112).

In het overzicht onderscheiden we drie periodes: de naoorlogse modernistische fase van 1945 tot circa 1975, de anti-modernistische reactie en ontwikkeling van kleinschaligheid van 1975 tot 1990, en de ontwikkeling van structuurplanning en een identiteit voor het nieuwe, compacte Brussels Hoofdstedelijk Gewest na 1990.

 

1945-1975

1952 Noord-
Zuid verbinding geopend

1950-1958 opmaak streekplan “Centres sattelites”

1958 Wereld-tentoonstelling Brussel

6 jan 1958 kandidaatstelling Brussel zetel EGKS op minister-conferentie

1962 Nationale Kaderwet Stedenbouw

1962 start opmaak gewestplan

1968 gemengde werkgroep KCML

1965 Plan Alpha17 februari

1967 APA Noordwijk (Manhattan Plan)

Naoorlogs modernisme, maakbaarheid en afbraak-sanering:
De eerste twee à drie decennia na de tweede wereldoorlog staan in het teken van het modernisme. Vanuit een overtuigd geloof in de maakbaarheid van de maatschappij worden ruimtelijke ingrepen gezien als mogelijkheid tot sturing van het samenleven. Met een sterk doorgedreven rationaliteit wordt een soort ‘modelwonen’ gecreëerd. Ontwerpers van hoogbouw –wat als prototype voor dit nieuwe wonen gezien werd-, ontwikkelen genormeerde standaardwoningen voor typegezinnen. Het idee van de gelijkheid tussen mensen vindt onder meer zijn vertaling in de strakke repetitie van grondplannen. De Brigittinenwijk en de Modelwijk van Braem zijn hier goede illustraties van. Verder kenmerkend voor deze periode is de geplande segregatie van functies en een uitgesproken technische benadering van planning. Voor Brussel is in deze periode een belangrijke aanzet gegeven voor de superimpositie van lagen. Hele wijken van de 19de eeuwse kroon zijn op ingrijpende wijze naar de 20ste eeuw gebracht. Voor kansarme buurten betekent dit veelal afbraak en sanering (zie Noordwijk). Een ander belangrijk agendapunt is de aanleg van uitgebreide netwerken voor verbeterde individuele en publieke mobiliteit met onder meer de planning van ‘stadsautowegen’. Dit enigszins futurologisch denken over de stedelijke ontwikkeling kende vooral een periode van bloei in periodes van hoge economische conjunctuur. De gunstige financiële situatie van de late jaren vijftig en begin van de jaren zestig liet immers toe om optimistisch over de groeimogelijkheden van de stad te gaan denken. Groei is niet noodzakelijk met ‘verdichting’ verbonden. De ontvolking van de steden na 1945 werd als positief gezien, als een optie om de steden terug leefbaar te maken. De sociologische wijkgedachte werd verdrongen door een functionalistische benadering.


Representatie en expertise, overheid en ontwerpers centraal:
De overheid treedt in deze fase op als expert ter zake in een hiërarchisch georganiseerde democratie. Inzake ruimtelijke kwaliteit implementeren politici de door ontwerpers ontwikkelde concepten op initiatief en in nauw overleg met de projectontwikkelaars. Het is met andere woorden een sterk verbond van kennis en macht. Politieke actoren halen de legitimiteit voor hun acties uit het feit dat zij door een meerderheid verkozen zijn in een representatief stelsel. Zij zijn als vertegenwoordigers van het volk dan ook de enigen die beleidsbeslissingen mogen nemen. Politieke partijen hebben een sterk profiel en ideologische kaders zijn dominant aanwezig. In deze eerste fase werd vanuit een krachtig inhoudelijk concept en doorgedreven visie een vertaling naar concrete plannen gemaakt. De plannende overheid treedt op als expert, van initieel concept tot bij de uitvoering. De concepten verloren echter deels aan kracht door de gebrekkige uitvoering en slaagden er bovendien niet in om in een veranderde context mee te evolueren.


Terug naar boven

 

1969 Manifeste de Cholère

1970 Oprichting ARAU

1971 Oprichting van de Brusselse Agglomeratieraad

1971 Oprichting van de Federaties van gemeenten in Vlaams Brabant

1973 Oprichting BRAL

1975 – 1990

1975 APA Brussels vijfhoek (buurten)

1976 Crisis in de bouwsector

1977 Fusie van gemeenten, behalve in Brussel

1979 Regionaal plan Brussel

1980 “Verklaring van Brussel” (M.Culot, L. Krier, R.Schoonbrodt)

1985 Grootstedelijk Plan Sint Lukas

1989 autonome Brusselse KCML

Anti-modernisme: kleinschaligheid en behoud-inbreiding:
In reactie op de grootschalige planning en de strakke functiescheiding tijdens het modernisme werd in de daarop volgende vijftien jaar kleinschaligheid tot norm, wat onder meer tot uiting kwam in wedstrijden voor stadsvernieuwing. De gesloten wijkstructuur werd verheerlijkt, een fase van wijkopwaardering nam zijn intrede. In nasleep van mei ‘68 wordt gereageerd tegen de ‘uni-dimensionele mens’. Een meer geïndividualiseerde invulling van het sociale treedt in de plaats. Vaak waren er bij de uitvoering van de conceptueel zeer ver doorgedreven modernistische planning uit de jaren vijftig en zestig allerhande tekortkomingen, met name wat betreft de ontwikkeling van publieke faciliteiten en de aanleg van de open ruimte. Deze zijn deels te verklaren door de slechtere economische situatie in de jaren zeventig. Onderwaardering en verwaarlozing waren echter vaak het gevolg van deze onvolledige uitvoering. De wijken uit de naoorlogse modernistische periode bleken bovendien een grote concentratie aan kansarmen te herbergen. De verkavelingen met een aparte identiteit slaagden er vaak niet in om een verknoping met het bestaande stedelijk weefsel te realiseren.In de jaren zeventig werden andere plandoelen naar de voorgrond geschoven. Het gewestplan voor Brussel van 1979 (onder Cudell, een bewind van socialisten en christen-democraten) stelden de bescherming van de huisvesting, van groene en publieke ruimtes, en van historische sites op de agenda. Onder meer Culot, Krier en Schoonbroodt maakten voor Brussel voorstellen om vanuit zeer kleinschalige ingrepen de stad een nieuwe vitaliteit te geven. Ook het discours van diverse drukkingsgroepen sluit hierbij aan. Het binnenstadswonen werd terug als zijnde aantrekkelijk voorgesteld. Er is terug aandacht voor buurtontwikkeling en er ontstaat een subcultuur rond specifieke volksbuurten zoals de Marollen. De omgang met achtergestelde buurten verschuift van afbraak en sanering naar behoud en inbreiding. In de jaren 80 dan werd een eerder romantisch woonideaal van groene binnengebieden, maar ook van het suburbane wonen gepromoot.De anti-modernistische acties door ARAU, BRAL, Inter-environnement Bruxelles, Sint-Lukasarchief e.a. kregen de uitdrukkelijke steun van de lokale Brusselse pers. Veel grootschalige ingrepen in het Brussels stedelijk weefsel voor internationale instellingen, maar ook voor het Vlaamse Gewest, werden gezien als negatief voor Brussel. Vanaf de definitieve regionalisering van 1989 werden alle initiatieven die een eigen Brussels profiel ondersteunden nadrukkelijk ondersteund. Stedenbouw nam hierbij een bijzondere plaats in.

Participatie en Consensus, het model van basisinspraak: Tegen het einde van de jaren zestig kwamen een aantal gebreken -niet enkel qua concept maar ook qua proces- van de modernistische planning naar voor. In Brussel kwam in tegenreactie een model van basisinspraak op de voorgrond. Diverse actoren buiten de overheid slaagden erin zich te organiseren, en contesteerden de planning die vanuit een sterke overheidssturing tot stand komt. Aanvankelijk werd inspraak via vertegenwoordigers van bepaalde belangengroepen gevraagd. Deze eis evolueerde gaandeweg naar meer veralgemeende modellen van basisinspraak, naar een participatief stelsel van directe democratische betrokkenheid. Het gewestplan van 1979 met de hierin opgenomen overlegprocedure was een institutionele afwijzing van de modernistische ingrepen van de jaren zestig: afwijzen van vooraf centraal vastgelegde ‘eindtoestand-planning’; als hoofdbestemming determineert het wonen met afwijkingsmogelijkheid na een extra procedure en de bevolking wordt op een open wijze geconsulteerd. In de jaren tachtig kwamen, naast de reeds bestaande bovenlokaal georganiseerde groepen, ook steeds meer lokale groepen op. Brussel kent ook vandaag nog een veelheid aan buurtcomités en lokaal georiënteerde sociaal-culturele organisaties. In de tweede fase staan vooral lokale en sectorale belangen centraal. Het gewicht van het verkozen beleid, van ambtenaren en meer nog van de ontwerpers van ruimtelijke kwaliteit moeten hiervoor wijken. Het beleid verdwijnt in die periode meer naar de achtergrond, is inhoudelijk minder begaan met de kwaliteit van de ruimte en legt zich eerder toe op de processen van ruimtelijke planning. Gaandeweg ontstaat een vorm van populisme waarbij het beleid minder als representant en meer als moderator van gesprekken optreedt. De vervaging van het conceptmatige en visionaire kan in verband gebracht worden met de bredere inbreng van diverse actoren: ‘Door deze populistische wending van het beslissingsproces wordt de uitwerking van samenhangende concepten steeds moeilijker. Voor het ruimtelijk beleid heeft dit dikwijls tot gevolg dat er niet wordt opgetreden.’ (Lagrou, 1994).Voor invloedrijke sites zoals de Europawijk blijft evenwel een sterke hand van de overheid bestaan. Terzelfder tijd zijn een aantal ingrijpende structureel- institutionele hervormingen beleidsbepalend, met name het tweezijdig ontwerp voor een beter aangepaste staats- en beleidsstructuur. Enerzijds werd er -behalve voor Brussel - een fusie van gemeenten doorgevoerd. Anderzijds stond de fragmentatie van het nationale niveau op de agenda. De gewest- en gemeenschapsvorming werden voorbereid. Zowel de staatshervormingen als de vraag naar basisdemocratie leiden tot decentralisatie.


Terug naar boven

 

1988 Gemeente-verkiezingen

1988 studie “Ruimte Brussel Europa”

1989: vorming autonome Brusselse KCML

1989 Brussels Hoofdstedelijk Gewest is realiteit

1990 – nu

1991 Stedenbouw-ordonnantie

1993 Ordonnantie Wijkcontracten

1994 Gemeenteraads- verkiezingen

1995 GewOP I

1998 GBP I

1998 Ordonnantie over Prioritaire Actie Programma’s (PAP)

1999 BBP Oud-Molenbeek (PAP)

1999 Gemeentelijke Planning

2001 GEWOP II

2001 GBPII

Structuurplanning: Met het model van structuurplanning, een in hoofdzaak Vlaams fenomeen, werd gezocht naar meer soepelheid in de planning en overleg met ‘stakeholders’. De plannen vertonen echter vaak een hoog niveau van abstractie en zijn hierdoor in zekere zin slechts vrijblijvende modellen. Vaak wordt uitgegaan van eerder theoretische modellen, die amper getoetst zijn. In diezelfde periode worden er, zowel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als in Vlaanderen, een aantal specifiek aangepaste instrumenten ontwikkeld voor lokale projecten, zo onder meer de aandacht voor sociale dynamiek vanuit het Sociaal Impulsfonds of de verbetering van huisvesting, publieke ruimte en sociale ontwikkeling via de wijkcontracten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Gewestelijke Planning/ Nieuwe identiteit voor Brussel: België wordt inmiddels geconfronteerd met de praktische doorvoering van regionalisering, waardoor ruimtelijke planning niet langer een federaal beleidsdomein is. Bij de regionaliserings-golf in gans West-Europa hebben traditioneel centraal bestuurde landen zoals België en Frankrijk aan het laagste bestuursniveau weinig bevoegdheden toegekend. De feitelijke beslissingsmacht over het stedenbouwbeleid is aldus in België centralistisch gebleven, alleen nu op vlak van de gewestregeringen. In Nederland –met een traditie van decentraliseerd bestuur- hebben gemeenten een veel reëlere beslissingsmacht terzake.De kaderwet van 1962 vraagt om regionale vertalingen. Brussel krijgt deze vertaling in 1991 in de eigen stedenbouwordonnantie. Met een socialistische minister-president krijgt het nieuwe gewest eigen planningsinstrumenten. In het eerste Gewestelijk Ontwikkelingsplan en Gewestelijk Bestemmingsplan staan bescherming van de huisvesting, aangepaste ontwikkeling van economische potentiëlen en infrastructuur alsook de gebundelde kantoorontwikkeling centraal. De gemeentelijke ontwikkelingsplannen, die voorzien zijn in de stedenbouwordonnantie, starten slechts aarzelend. De voorrang van de gewestelijke instrumenten (GewOP en GBP) op de gemeentelijke (GemOP) is geen stimulans voor de gemeenten om de GemOP’s uit te werken. De planning wordt in de jaren negentig gedomineerd door de opstelling van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan (1995) en het Gewestelijk Bestemmingsplan (2001). De verschuiving in 1995 van de bevoegdheid over stedenbouw van een socialistisch minister naar een liberaal betekende ook een verschuiving in klemtonen in het beleid. Dit verschil kan duidelijk geïllustreerd worden met de planvoorzieningen voor kantoren: in 1995 kregen de gebieden rond de kantoorzones een ‘verhoogde bescherming van huisvesting’. Dit werd in 2001 versoepeld naar een mogelijkheid om een aantal kantoren te vestigen per ‘maas’.In deze periode wordt ook een voorstel gelanceerd voor gerichte lokale ontwikkeling via initiatiefwijken en wijkcontracten (1993), alsook een eenmalig voorstel voor de inrichting van een prioritair actieprogramma.De jaren negentig betekenen een fase van institutionalisering voor een aantal drukkingsgroepen die eind van de jaren zestig tot stand gekomen waren. Uit de periode van basisinspraak van de jaren zeventig hielden we een cultuur van adviesraden over, die de aansluiting met de maatschappelijke geledingen verzekeren. Het discours van bescherming van huisvesting en kleinschalige ingrepen blijft levendig. Er ontstaan inmiddels ook een aantal nieuwe drukkingsgroepen, die zich van nieuwe media bedienen en het vraagstuk van de gespannen globaal - lokale ontwikkeling expliciet op de agenda plaatsen. Een herleving van het stedelijk debat maakt dit zichtbaar. Deze nieuwe drukkingsgroepen slagen er niet steeds in om de weg naar de overheid te vinden. Lokale belangen hebben in deze fase nog steeds een grote impact, al dient gezegd te worden dat sectorale belangen in gewicht toegenomen zijn. In de jaren negentig worden tevens een aantal mogelijkheden voor publiek private samenwerking bekeken, en vooral economische actoren winnen –zeker voor de achtergrond van meer globale ontwikkelingen- aan invloed.Een belangrijk voorbeeld dat kan illustreren hoe bovengordende belangen –in dit geval niet globale, maar federale belangen- inwerken op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is de discussie over de ontwikkeling van een HST- transferium voor de bediening van het Noorden. Het voorstel van de NMBS om op Schaarbeek Vormingsstation een nieuwe, grootschalige stedelijke ontwikkeling te voorzien rond het HST- transferium werd door het BHG als niet opportuun aangezien. Zowel vanuit het BHG als vanuit de gemeente werd geijverd voor een meer ‘Brusselse’ oplossing: Schaarbeek–reizigers wordt gewoon een transferium zonder grootstedelijke ontwikkeling. De verschuiving van deze planopties illustreren duidelijk het belangenconflict tussen de Brusselse en de federale belangen, een conflict dat inwerkt op de beleidsruimte van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Terug naar boven
Untitled Document
 
humanarc.be - © 2007