HOME ARCHITECTUUR ONDERZOEK ONDERWIJS LINKS CONTACT SITEMAP HUMANARC?
 
Untitled Document
JOHAN
VERLEYE
HUMAN
SCIENCES
ARCHITECTURE
& DESIGN
ANNETTE
KUHK
 
VIRTUAL OFFICE

Mentor

Johan Verleye en Annette Kuhk treden in het kader van hun respectieve onderwijsopdrachten op als (co-) mentor van afstudeerprojecten en eindverhandelingen. Johan begeleidt studenten voor het architecturaal ontwerp en vragen van interieurvormgeving, terwijl het domein van Annette zich situeert rond vraagstukken van stedenbouw, beleid en de ontwikkeling van Brussel.

 

 

 

Illustratie: 3D-visualisatie van de Europawijk
(afstudeerproject E. Liefsoens, 2002-2003)

 

Eindverhandelingen en afstudeerprojecten over Brussel
Voor het academiejaar 2004-2005 werden en aantal actuele, sterk accuraat maatschappelijke, stedenbouwkundige en/ of architectonische problemen betreffende Brussel geformuleerd waaruit studenten kunnen kiezen voor hun eindproject. De voorstellen zijn gebaseerd op onderzoek van de maatschappelijke realiteit van Brussel in het kader van de studie over ‘Co-productie in stedenbouwbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ (promotor: E. Lagrou, onderzoeker: A. Kuhk).
De probleemstellingen zijn eerder abstract en vergen bijkomende analyse door de studenten om de stap van probleemstelling naar programma te kunnen zetten. Het merendeel van de hier geformuleerde probleemstellingen sluit aan bij de perspectieven van het Traject Urban Architectural Design aan het Departement Architectuur Sint Lucas.

De probleemstellingen zijn vaak geformuleerd naar aanleiding van huidige of geplande stedelijk-architectonische ingrepen, en zijn gericht op specifieke stedelijke condities. De categorie ‘in search of place’ stelt een aantal mogelijke sites voor waar de specifieke stedelijke condities kunnen bestudeerd worden. De opsommingen zijn enkel exemplarisch en niet exhaustief. De studenten kunnen vanuit de probleemstelling ook andere sites bepalen.
Naast probleemstelling vinden de studenten ook een aantal referenties voor bijkomende informatie of eventueel duiding van de probleemstelling, zodat in groep de analyse van een probleemstelling mogelijkheden opent voor de selectie van concrete sites.
Voor alle vraagstukken geldt dat een deel van de informatie en basisgegevens kan opgevraagd worden bij het Bestuur Ruimtelijke Ordening van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest alsook bij gemeentelijke diensten. Daarnaast is ook een rijkdom aan informatie te vinden bij lokale partners.

 

Vijf onderwpen:
1. PERSPECTIEF 2006: HET GERENOVEERDE JUSTITIEPALEIS ALS AANGRIJPINGSPUNT
2. PERSPECTIEF 2008: 50 JAAR WERELDTENTOONSTELLING -BXL ALS EVENT CITY?
3. BRUSSEL TUSSEN DE 2.000 EN 24.000 INW. PER KM²: ‘DEN(S)CITY’
4. PLEK EN IDENTITEIT VAN 15 JAAR BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
5. DE PLAATS VAN HET KUNSTENCENTRUM IN BRUSSEL
 
[1. PERSPECTIEF 2006:
HET GERENOVEERDE JUSTITIEPALEIS ALS AANGRIJPINGSPUNT]
Terug naar boven
Stedelijke condities

Herbestemming en superimpositie
van het 19de eeeuwse weefsel en gebouwen

Hedendaagse invullingen voor een verticale stad:
verbindingen van lage en hoge stad

Probleemstelling
1866 werd door Poulaert de eerste planning gemaakt voor het Justitiepaleis. In hetzelfde jaar formuleerde Victor Besme zijn plan voor een groter Brussel met een systematisch geplande uitbreiding buiten de Vijfhoek. De relatie hoge en lage stad en de verhouding vijfhoek – 19de eeuwse kroon werd door die periode in beslissende mate bepaald. 140 jaar later is het Justitiepaleis gerenoveerd, is de lage met hoge stad nieuw verbonden via een lift en kennen veel sites van de 19de eeuwse kroon een inmiddels nieuwe invulling.

Illustratie: Dwarsdoorsnede
van het justitiepaleis BXL

Hieruit volgen twee vragen die een instap kunnen bieden voor projecten:
- Op welke manier werken de veranderingen van de tweede helft van de 19de eeuw nog voort in het Brussel van vandaag? Hoe is de superimpositie of aangepast hergebruik van het weefsel en de gebouwen uit de 19de eeuw denkbaar? Leidt superimpositie van lagen en stijlen eerder tot conflict of symbiose? Wat is de specificiteit van de 19de eeuwse gebouwde omgeving en hoe kan deze met de behoeften van vandaag verbonden worden?
- Op welke manier slaagt men er vandaag in om sites die een groot verloop kennen qua topografie zinvol en bruikbaar in te vullen? Hoe kan de verticale stad bedacht en ontworpen worden op een hellend terrein in een urbane omgeving?

In search of place
Mogelijke sites voor het eerste vraagstuk zijn te vinden langs de assen en het weefsel dat in de 19de eeuw ontwikkeld werd. Met historische kaarten bij de hand kunnen de overblijfselen van het 19de eeuwse weefsel gesitueerd worden. Door veldwerk kunnen sites met potenties voor de integratie van 19de en 21ste eeuw gezocht worden. In de Leopoldwijk (de huidige Europawijk) is een groot deel van het 19de eeuwse weefsel verloren gegaan. Hoe kan op andere locaties – die alsnog nagenoeg onaangetast zijn- een legitiem antwoord geboden worden dat de historische waardes respecteert, doch huidige behoeften incorporeert?
De sites voor het tweede vraagstuk situeren zich op ‘topografische knooppunten’ of sterk hellende terreinen, dus plekken in het Brusselse waar potenties voor een verticale stadsontwikkeling aanwezig zijn. Met de topografische kaart bij de hand kunnen deze terreinen gezocht worden. In veldwerk worden potenties gezocht voor verticale ontwikkelingen.
Enkele voorbeelden: langsheen de Wetstraat zijn er sites met een verloop van circa 30 meter, zo onder meer de terreinen die grenzen aan de Wetstraat en aan de Etetrbeekse steenweg. Frappanter nog zijn deze hoogteverschillen te zien op een aantal sites in Elsene (bijvoorbeeld de Graystraat!) of Sint-Gillis, en eerder genoemde sites in Brussel Stad aan de voet van het Justitiepaleis. Ook City 2 is een voorbeeld van ontwikkeling op hellend terrein, je kunt er immers vanuit verschillende ‘straatniveaus’ toegang krijgen tot het handelscentrum, wat beslist een commercieel voordeel is.
Referenties

Bibliotheek Departement Architectuur Sint Lucas
Topografische kaarten van Brussel 1:5000 en 1:10.000
Diverse historische kaarten van Brussel

Straten en stenen. Brussel: stadsgroei 1780-1980. Tentoonstelling ingericht door de Generale Bankmaatschappij in samenwerking met het Sint-Lucasarchief en G. Abeels. Brussel, 1982, 10.

DEMEY Thierry (1992), Bruxelles, Chronique d’une capitale en chantier, 2. De l’Expo ’58 au siège de la C.E.E., Bruxelles: Paul Legrain

Zie ook supplement uit het tijdschrift tijdschrift ‘Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening’ 2000/5: Masterclass Stedebouw (thema Brussel)

Bijkomende informatie in het Sint-Lucasarchief of in de bibliotheek van het CIVA.

Terug naar boven
[2. PERSPECTIEF 2008:
50 JAAR WERELDTENTOONSTELLING -BXL ALS EVENT CITY?]
Terug naar boven
Stedelijke condities
Uitdagingen van ‘event cities’:
kortstondig-vrijblijvend of dominant-continu
Probleemstelling

Het perspectief is in 2008 terug gericht op de Heyzel als site voor de wereldtentoonstelling in 1958. Formules zoals de expo, de keuze van de cultuurhoofdsteden of van bijvoorbeeld olympische sites geven aan stedelijke locaties de mogelijkheid om tijdelijk op de wereldtribune te verschijnen.


Olympische spelen/ WK/ EK/ Festivals/ Culturele hoofdstad van Europa/
Jubeljaar/ Gay parade/ Love parade/ Filmfestivals / Wereldtentoonstelling

In search of place

In voorbereiding op '50 jaar na de wereldtentoonstelling' wordt enerzijds de vraag gesteld naar de impact van deze injecties op langere termijn. Hoe kan met andere woorden de Heyzel verder of opnieuw ontwikkeld worden? Anderzijds wordt gevraagd welke potenties deze of andere sites binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bestaan als ‘event city'. Welke stedenbouw-kundig- architectonische ingrepen zijn nodig en mogelijk voor grote evenementen? Welke specifieke condities moeten gerespecteerd worden voor de zeer snelle ontwikkeling in voorbereiding van events? Welke mogelijkheden en restricties biedt dit in stedenbouw en architectuur?

Referenties

Bibliotheek Departement Architectuur Sint Lucas
Ockman Joan (2002), Out of Ground Zero, Case studies in Urban intervention
Hubert-Jan Henket, Hilde Heynen (Ed.), 2002, Back from utopia, The challenge of the Modern Moverment , Rotterdam: 010 Publishers

Alsook diverse artikels uit het tijdschrift ‘Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening'

Terug naar boven
[3. BRUSSEL TUSSEN DE 2.000 EN 24.000 INW. PER KM²: ‘DEN(S)CITY’]
Terug naar boven
Stedelijke condities

Veruitwendiging van dichtheden en ontwikkeling
(verdichting en uitdunning)

‘Boiled Frog syndrom' in Brussel:
alternatieven voor sites met bedreigde leefbaarheid

Open ruimte door defragmentatie ?

Probleemstelling

Deze probleemstelling start van de vraag hoe de stedelijke conditie van ‘dichtheid' en ‘verdichting' zich manifesteert in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het grondgebied omvat circa 162 km² en is hiermee qua omvang vergelijkbaar met Hong Kong. De gemiddelde bevolkingsdichtheid van circa 6.000 inwoners per km² in Brussel is zes keer kleiner dan deze van Hong Kong. Dit doet vermoeden dat dichtheid veel variatie kent. Onderstaande lijst geeft een overzicht van de verdeling van gemiddelde dichtheden in de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Brussel Stad 4.325 inw. per km2. Schaarbeek13.606 inw. per km2
Etterbeek 3.265 inw. per km2.
Elsene 11.989 inw. per km2.
Sint-Gillis 17.430 inw. per km2
Anderlecht 5.218 inw. per km2.
Sint Jans Molenbeek 13.080 inw. per km2
Koekelberg 14.397 inw. per km2
Sint-Agatha Berchem 6.759 inw. per km2 Ganshoren 8.174 inw. per km2

Jette 8.379 inw. per km2
Evere 6.577 inw. per km2
Sint Pieters Woluwe 4.238 inw. per km2 Oudergem 2.759 inw. per km2
Watermael-Bosvoorde 1.886 inw. per km2 Ukkel 3.278 inw. per km2
Vorst 7.636 inw. per km2
Sint Lambrechts W. 6.565 inw. per km2
Sint-Joost ten Node 20.765 inw. per km2

Voor specifieke wijken binnen de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er enerzijds gebieden met minder dan 2.000 inwoners per km² en anderzijds gebieden die aan de 24.000 inwoners per km² raken. Welke implicaties heeft deze diversiteit voor stedenbouw en architectuur? Lewis Mumford becommentarieerd de film ‘The City' van 1939 en stelde er aantrekkelijk alternatieven voor om de dense, mensonwaardige stedelijke ontwikkeling te vermijden. Zijn alternatieven gingen uit van de aanwezigheid van vrije gebieden aan de rand van de stad of zelfs nieuw geplande steden. Hoe echter kan de ontwikkeling en herorganisatie binnen een bestaand dens weefsel bedacht en ontworpen worden?

Meer in detail worden drie op elkaar aansluitende vragen behandeld:
•  Welke uitingen kent extreme dichtheid in diverse stedelijke gebieden? Welke verschuivingen zijn waar te nemen over verloop van tijd? Hoe wordt geleefd in extreem dense gebieden? Zijn er alternatieven denkbaar?
•  Vaak zijn extreem dense gebieden eveneens gekenmerkt door beperkte leefbaarheid, slecht comfort van woningen of zelfs verkrotting, en bevinden we ons m.a.w in de ‘meervoudig achtergestelde buurten'. Zijn aan een bepaalde kwantiteit (inzake dichtheid) ook noodzakelijk bepaalde ‘kwaliteiten' verbonden? Hoe ontwikkelen deze buurten en kan de klok omgedraaid worden? Thomas Saunders gebruikt hier passende beeldspraak in de publicatie ‘The boiled Frog Syndrom'. Net zoals de kikker die levend gekookt kan worden indien het water van een pot langzaam opgewarmd wordt, zo zijn stadsbewoners vaak lethargisch ten aanzien van slopende verslechteringen in hun buurt. Als buitenstaanders hun levenscondities zien, zouden zij als vanzelf trachten om hier niet in verzeild te geraken, net zoals een kikker die in reeds opgewarmd water gegooid wordt ook probeert te ontsnappen. De geleidelijke verslechtering wordt vaak echter gedoogd.
•  Een vreemd paradox van de dense achtergestelde buurt is de aanwezigheid van leegstaande panden (verlaten na verkrotting). Kan een soort zachte ‘defragmentatie' van de buurt soelaas bieden en potenties voor open ruimte ontwikkelen die de leefbaarheid van de buurt terug verhoogt zonder de densiteit wezenlijk te compormiteren?

In search of place

Met gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek bij de hand worden wijken opgezocht die een extreme dichtheid kennen (volkstelling en rijksregister). De studie van woontypologieën van de VUB biedt bijkomende informatie over de types woningen in verschillende wijken. Veldwerk is de basis voor de bepaling van specifieke sites waar alternatieven ontworpen worden voor betere huisvesting en leefbaarheid, voor kwaliteitsvolle open ruimte in dense gebieden. Bijkomend kan hier ook de informatie rond wijkcontracten geraadpleegd worden, waar (sociale) huisvesting en de ontwikkeling van publieke ruimte in meervoudig achtergestelde buurten centraal staan. Brussel kent inmiddels meer dan 20 sites waar wijkcontracten ontwikkeld worden of zijn.

Referenties

Bibliotheek Departement Architectuur Sint Lucas
•  Gegevens van het NIS per statistische sector (op CD)
•  Studie over woontypologieën (VUB)
•  Informatie over wijkcontracten, zie ook http://www.quartiers.irisnet.be
•  Situering van mogelijke wijkcontracten kan gevonden worden op www.gewop.irisnet.be (bij ‘kaarten', kaart 3 geeft de ruimtes voor versterkte ontwikkeling van de huisvesting weer, alle wijkcontracten dienen binnen deze gebieden te worden gesitueerd).

Een basis voor reflectie kan geput worden uit het ‘Inside Density'-colloquium van NeTHCA: Heynen H., Vanderburgh D. (2003), Inside Density, International Colloquium on Architecture and Cities # 1, Bruxelles: La Lettre volée.

Terug naar boven
[4. PLEK EN IDENTITEIT VAN 15 JAAR BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST]
Terug naar boven
Stedelijke condities

Stadspoorten als toegang tot een compact gewest: visuele attractor en identiteit

Ontwikkeling van sites van bovenlokaal belang: een geïntegreerde stadsvisie?

Ontwikkeling van lokale diversiteit binnen het Gewest

Probleemstelling

Als werkdomein wordt voorgesteld om de vraag naar afgrenzing van stedelijke gebieden te behandelen. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kent een compacte vorm die eind van de jaren ‘80 in het kader van de regionalisering is vastgelegd. De grenzen zijn in eerste instantie een administratieve grens. Centrale vraag is hoe Brussel zich in 15 jaar tijd kon ontwikkelen binnen deze compacte afbakening en in welke mate de gebieden binnen de gewestelijke grens een gedeelde identiteit hebben? Kent de administratieve bepaling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inmiddels een manifestatie in stedenbouw en architectuur? Kan een administratieve grens überhaupt als stedelijke conditie gezien worden of zijn er andere aspecten die ‘het stedelijke' afbakenen? Welke implicaties heeft de compacte bepaling van Brussel voor de omliggende gebieden? Het vraagstuk van compactheid en identiteit kent vergelijkenderwijs ook andere uitingingen in steden zoals onder meer het vroegere West-Berlijn of Jerusalem, in Hamburg of Bremen, of het vroegere Hong Kong.

Meer concreet kunnen drie vragen in detail uitgewerkt worden:
•  Kan de afbakening van het gewest aanleiding zijn voor het ontwerp van stadpoorten in de 21 ste eeuw? Waar kunnen deze best gesitueerd worden en welke architectonisch-stedenbouwkundige invullingen kan hieraan gegeven worden? In het Gewestelijk Ontwikkelingsplan zijn op Kaart 1 een aantal voorstellen geformuleerd voor Stadspoorten. Zijn de locaties goed gekozen? En hoe kan hier ontwerpmatig een antwoord aan geboden worden in de 21 ste eeuw?
• Op kaart 2 van het Gewestelijk Ontwikkelingplan zijn een aantal hefboomgebieden en sites van gewestelijk belang weergegeven. Is deze bepaling van hefboomgebieden en sites van gewestelijk belang exclusief? Of zijn er ook andere sites die een regionale potentie hebben? Waarom is Jospahat bijvoorbeeld niet opgenomen? Welke injecties heeft Brussel nodig om de gewestelijke identiteit verder uit te bouwen?
• Indien alle kaarten van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op elkaar geprojecteerd worden, vallen een aantal gebieden op die door slechts weinig programmapunten in het stadsproject geraakt worden. Dit is met name de situatie voor een aantal sites in de zogeheten tweede kroon, zo bijvoorbeeld gebieden in het westelijk gedeelte in Sint-Agatha Berchem, Jette, Koekelberg of Ganshoren, maar ook als alternatieve sites bijvoorbeeld in het zuiden in de Woluwes, Oudergem of Watermael-Bosvoorde. Zijn dit de toevallige blinde vlekken op de kaarten van gewestelijke ontwikkeling of is er eerder sprake van bewuste negatie bij de veelheid van andersoortige vraagstukken? Zijn deze gebieden zelf-organiserend op lokaal vlak en vallen deze daarom systematisch buiten de prioriteiten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? Worden de sites waargenomen als zijnde onvoldoende complex om interesse te kunnen wekken? Is er nood aan een manifeste afbakening van verschillende wijken?

In search of place

Voor de drie vraagstukken is het GewOp het uitgangspunt (kaart 1: stadsproject voor de stadspoorten, kaart 2: hefboomgebieden en de projectie van verschillende kaarten opeen). Zie ook www.gewop.irisnet.be .

In het Gewestelijk Ontwikkelingsplan van Brussel (Kaart2) zijn 14 zogeheten ‘Sites van gewestelijk belang' en ‘Hefboomgebieden' aangeduid. Desbetreffende sites zijn Erasmus, Vorst, Zuid, Kanaal, Thurn & Taxis, Kruidtuin, Europa, Gulden Vlies, Heizel, Militair Hospitaal, Schaarbeek-Vorming; RTBF-VRT, Delta en Weststation. Er wordt in de voorschriften weinig uitleg gegeven over de selectie van de sites, en er wordt enkel een summiere indicatie gegeven van prioriteiten.

Referenties

Aanspreekpartners

Voor de tweede vraag: Voor elk van de sites van gewestelijk belang kan een diversiteit van stedelijke actoren opgesomd worden, die eveneens voor bijkomende informatie kunnen worden aangesproken. Voor de Europawijk alleen al zijn dit behalve Europese instellingen, diverse overheden en economische actoren ook een achttal wijkcomittées, overkoepelende verenigingen zoals de Brusselse Raad voor het Leefmilieu (BRAL), het Atelier de recherche d'architecture et d'urbanisme (ARAU) en Internvironnement Bruxelles (IEB). Zie ook www.bralvzw.be , www.ieb.be , www.arau.be .

Voor de derde vraag: Voor bijkomende informatie kan onder meer beroep gedaan worden op lokale actoren zoals culturele verenigingen die in de Brusselse Westrand actief zijn, zo onder meer het Gemeenschapscentrum ‘De Kroon' in Sint-Agatha Berchem, ‘De Platoo' in Koekelberg en ‘De Zeyp' in Ganshoren. Deze organisaties worden deels gesteund door de VGC. Als voorbeeld van lokale zelf-organisatie mag hier Ganshoren genoemd worden. Zij organiseerden afgelopen jaar onder meer een ‘wijkontbijt' waarbij meteen ook een voorstel voor een indeling in wijken gedaan werd. Dit soort ‘lokale entiteiten' is in het stedenbouwkundig kader van het Gewest enkel aanwezig door de ordonnantie over wijkcontracten en wordt hierdoor beperkt tot de zogeheten ‘ruimtes voor versterkte ontwikkeling van de huisvesting' (zie Gewestelijk Ontwikkelingsplan, Kaart 3). Een afbakening of indeling van wijken bestaat hier niet op kaart. In die zin is het initiatief van Ganshoren te waarderen als een vorm van zelf-organisatie en reflectie over stedelijke ontwikkeling.

Terug naar boven
[5. DE PLAATS VAN HET KUNSTENCENTRUM IN BRUSSEL]
Stedelijke condities

Culturele profilering en citymarketing

Probleemstelling

Binnen courante vormen van citymarketing voelen steden met bovenlokale uitstraling zich veelal genoodzaakt om te investeren in een kunstencentrum. Recente Belgische voorbeelden zijn het Concertgebouw in Brugge, de BsB en het Flageygebouw in Brussel, de renovatie van de Singel in Antwerpen, de plannen voor een muziekforum in Gent of het Vanderkelen Mertens museum en het STUK in Leuven. Welke plaats kan het kunstencentrum vandaag in deze concurrentiele situatie nog hebben?

In search of place

Wat zijn de condities en behoeften om een kunstencentrum uit te bouwen? Heeft Brussel nood aan een kunstencentrum, Zo ja, waar?

Terug naar boven
   
   
Untitled Document
 
humanarc.be - © 2007